CENTRAAL KERKBESTUUR GENT STAD

 

Jakobijnenstraat 4 te 9000 Gent

 

Waarde en waardering index

Waarde

 

Bij het aanschaffen van goederen (gebouwen, materieel, gereedschap, meubilair en rollend materieel) zijn er in de boekhoudtechniek drie manieren om de waarde ervan vast te leggen: de aanschafwaarde, de inbrengwaarde en de samenstellingswaarde.

 

De aanschafwaarde is de gefactureerde waarde, hetzij de werkelijk betaalde prijs (inclusief belastingen en / of taksen indien deze niet kunnen worden gerecupereerd).

 

De inbrengwaarde is de schatting door een onafhankelijke deskundige van de waarde van de goederen die worden overgedragen aan de kerkraad. Dit wil zeggen dat een expert de waarde van het goed in vergelijking met de marktwaarde vaststelt en deze waarde onder de vorm van een verslag of een proces-verbaal aan de kerkraad meedeelt.

 

De samenstellingswaarde of fabricagewaarde ontstaat doordat door eigen werk een investering ontstaat. Het is de waarde die aan een goed gegeven wordt, rekening houdende met de geďnvesteerde arbeid door eigen personeel of door de leden van de kerkraad, en de eigen gebruikte of verbruikte materialen om het goed te maken.

 

Vb.1. Leden van de kerkraad maken zelf een kast met planken en materialen die de kerkfabriek nog in voorraad heeft. De waarde van de kast is de prijs die in de kleinhandel zou moeten betaald worden voor een gelijkwaardige kast. In principe zal deze prijs de aanschafprijs van de materialen overstijgen, en aldus rekening houden met de zelf gepresteerde arbeid.

 

Herwaardering

 

Herwaardering is een boekhoudtechniek die de waarde van goederen opnieuw vastlegt. Deze herwaardering kan zowel positief (waardevermeerdering) of negatief (waardevermindering) zijn. De waarde van de goederen na herwaardering wordt in de inventaris opgenomen.

 

Annaliteit

 

In de regel wordt tot herwaardering overgegaan bij het afsluiten van het boekjaar. Aangezien de kerkfabrieken de annaliteit van een burgerlijk jaar volgen (zie Decreet art. 54), gebeurt de herwaardering in principe op 31.12 van het exploitatiejaar.

 

Soorten goederen

 

Het algemeen reglement somt de goederen op die in de inventaris moeten worden opgenomen, namelijk: alle bezittingen, vorderingen, rechten, schulden en verplichtingen, van welke aard ook, van het bestuur van de eredienst. De verbruiksgoederen hoeven niet in de inventaris te worden opgenomen (zie Decreet art. 54 en AR-Bh tot 05.09.2008, artikelen 32-35).

 

Rekening houdende met de beperking dat de verbruiksgoederen niet moeten worden opgenomen, blijven slechts de (investerings)goederen, dit wil zeggen de goederen met een lange(re) levensduur over.

 

Daarenboven maken de vorderingen, de rechten, de schulden en de verplichtingen ook deel uit van de in de inventaris op te nemen goederen. De inventaris omvat aldus veel meer dan louter materiële goederen. Ze omvat ook de immateriële activa.

 

Immateriële goederen

 

Positieve immateriële activa zijn de vorderingen die in geld worden uitgedrukt en de rechten die de kerkraad bezit.

 

Negatieve immateriële activa zijn de schulden die in geld worden uitgedrukt en de verplichtingen die de kerkfabriek heeft ten overstaan van derden.

 

Vb.2. In de loop van het jaar ontvangt de kerkfabriek tussentijdse afrekeningen. Feitelijk moet de kerkfabriek geen voorschotten betalen. De kerkfabriek kan de eindafrekening afwachten, hetzij de factuur die zowel het verbruik opgeeft, als de gedane voorschotbetalingen omvat.

 

Indien de factuur een te betalen saldo omvat, dan heeft de kerkfabriek een schuld ten overstaan van de gas- en elektriciteitsmaatschappij.

 

Indien de factuur een te ontvangen saldo omvat en feitelijk een kredietnota is, dan heeft de kerkfabriek ten overstaan van de gas- en elektriciteitsmaatschappij een vordering.

 

Vb.3. De kerkfabriek een recht van doorgang door een tuin van een buur verkregen om de garage aan de achterzijde van de kerk te kunnen bereiken. Dit recht moet in de inventaris opgenomen worden.

 

De kerkfabriek heeft een recht van doorgang door de tuin van de pastorij aan een buur verleend. De kerkfabriek heeft een verplichting die in de inventaris moet worden opgenomen.

 

Materiële goederen

 

De materiële investeringsgoederen zijn aan sleet of gebruik onderhevig. Deze sleet veroorzaakt een minderwaarde die moet geregistreerd worden.

 

Boekhoudkundig gebeurt dit door middel van afschrijvingen. Afschrijven is aldus de minderwaarden van de oorspronkelijke waarde van het goed registreren. Boekhoudkundig legt men een reserve aan gedurende de nuttigheidsperiode. De reserve is bij de aanschaf van een vervangend goed (een deel van) het te besteden kapitaal.

 

De aangelegde reserve is niet altijd groot genoeg om het vervangingsgoed volledig te kunnen betalen. Om het verschil te kunnen betalen legt men vooraf een voorziening aan waarmee geanticipeerd wordt op een volgende grotere uitgave.

 

De aangelegde reserve te samen met de voorziening vormen aldus het basiskapitaal bij de aanschaf van een nieuw investeringsgoed.

 

Op het ogenblik dat het goed boekhoudkundig volledig is afgeschreven, staat men voor een keuze: ofwel verkoopt men het goed voor zijn boekhoudkundige restwaarde; ofwel blijft men het goed gebruiken tot het zijn economische nuttigheid heeft verloren.

 

Herwaardering

 

Indien men het goed blijft gebruiken, dan is het aangewezen om een nieuwe boekhoudkundige waarde aan het goed toe te kennen. Men herwaardeert het goed en men bepaalt een nieuwe inventariswaarde.

 

In een kasboekhouding kunnen deze minder- of meerwaarden echter niet onrechtstreeks geboekt worden. Dit wil zeggen met kan geen boekhoudpost maken die de minderwaarden of de meerwaarden optelt, om na de volledig verlopen tijd de minderwaarden of de meerwaarden in één keer van de oorspronkelijke waarden af te trekken of bij te tellen.

 

Men moet aldus de waarde van de goederen jaarlijks verminderen of vermeerderen op het ogenblik dat de jaarrekening wordt opgesteld. In de inventaris wordt de waarde nŕ de vermindering of vermeerdering vermeld.

 

Vb. 4. Een pc wordt op drie jaar lineair afgeschreven, wat betekent dat de geboekte aanschafwaarde (vb. 1000,00 €) op drie jaar tijd wordt ingeschreven als kosten, elk jaar voor een derde (333,33 €). De inventariswaarde wordt na het

 

1ste jaar:

1000,00

– 333,33

= 666,67 €;

2de jaar:

666,67

– 333,33

= 333,34 €;

3de jaar:

333,34

– 333,33

= 0,01 €.

 

Marktschommelingen

 

Immateriële activa, de vorderingen, de rechten, de schulden en de verplichtingen, zijn onderhevig aan marktschommelingen en aan economische toestanden die de waarde van een vordering of een recht, van een schuld of een verplichting beďnvloeden.

 

Vb. 5. De kerkfabriek heeft gelden belegd in een bankgroep. De economische omstandigheden beďnvloeden de waarde van deze belegging. De vordering van de kerkfabriek is aan de marktschommelingen onderhevig. De ontwaarding van de belegging moet in de inventaris opgenomen worden.

 

Economische waarde

 

Zoals hiervoor gezegd kunnen goederen na volledige afschrijving, en dus in de boekhouding met waarde nul, toch nog een waarde hebben. De goederen kunnen nog verder worden gebruikt. Het goed heeft nog een economische waarde, alhoewel ze boekhoudkundig geen waarde meer heeft. Het is deze economische waarde, de residuwaarde of de marktwaarde die in de boekhouding moet geregistreerd worden.

 

Vb. 6. Een gebouw dat langer wordt gebruikt dan de afschrijvingsduur, die in België toch 33 jaar loopt, heeft nog een marktwaarde. Als er zekerheid bestaat over het verder blijven bestaan van een economische waarde, dan kan men overgaan tot herwaarderen van het goed, d.w.z. er wordt op basis van een realistische schatting een nieuwe waarde ingeschreven in de inventaris van de jaarrekening.

 

“Herwaarderen is een boekhoudtechniek om goederen met een correcte waarde in de inventaris te noteren”.

 

Gezien penningmeesters enkel vaststaande feiten in de boekhouding mogen vastleggen, wordt herwaardering zelden toegepast, want het is uitzonderlijk zo dat de genoteerde waarde lager is dan de waarde in de werkelijkheid. Dit is moeilijk objectief vast te stellen.

 

Vb. 7. De boekwaarde van de pc hierboven is 0,01 €. De werkelijke waarde kan geschat worden op 250,00 €. De nieuwe inventariswaarde wordt na deze herwaardering vastgelegd op 250,00 €. Deze nieuwe waarde is op haar beurt weer afschrijfbaar. Maar het geenszins zeker dat de marktwaarde 250,00 € is. De penningmeester moet een restwaarde toekennen alhoewel hij geen zekerheid heeft dat deze restwaarde de reële marktwaarde is.

 

Ontwaarding

 

Herwaarderen kan ook in de negatieve zin, maar dan enkel voor investeringsgoederen die niet worden afgeschreven, (bv.) een onverhard parkeerterrein, dat regelmatig onder water loopt en daardoor onbruikbaar wordt.

 

De deelnemingen en effecten in portefeuille worden gewoonlijk tegen historische (nominale) waarde geboekt in de jaarrekening. Daarvan worden in voorkomend geval de waardeverminderingen afgetrokken die overeenstemmen met de duurzame minderwaarden of ontwaardingen.

 

Wijzen van herwaarderen

 

Goederen herwaarderen kan aldus op verschillende wijzen gebeuren, namelijk :

 

·         Door goederen af te schrijven, dit wil zeggen door rekening te houden met de nuttigheidsduur van een goederen. Men legt een reserve aan.

 

·         Door voor de aanschaf van de vervangingsgoederen voorzieningen aan te leggen, dit wil zeggen men anticipeert op de aankoop van nieuwe goederen ter vervanging van de oude goederen. Men legt een voorziening aan.

 

·         Door de aanschafwaarde van de goederen te verminderen of te vermeerderen, om rekening te houden met al dan niet als definitief aan te merken ontwaardingen of meerwaarden bij het afsluiten van het exploitatiejaar. Men vermindert of vermeerdert de waarde van het goed.

 

Decretaal

 

Het Decreet legt slechts op dat de waarde van een goed bepaald of herbepaald wordt bij het opstellen van de jaarrekening (31.12) en dat de waarde van het goed opgenomen wordt in de inventaris.

 

De herwaardering wordt toegepast op elk activum. Dit wilt geenszins zeggen dat elk activum effectief een andere nieuwe waarde zal krijgen. Integendeel, het zijn slechts de activa die op een bestendige manier van waarde veranderen, waarvan dat de waarde moet herbepaald worden. Een toevallige marktfluctuatie heeft geen invloed op de waarde van het goed.

 

In een kasboekhouding is de enige aangewezen methode de vermindering of de vermeerdering van de waarde van het goed in de inventaris registreren ter gelegenheid van het opstellen van de jaarrekening.

 

Niet op te nemen goederen

 

Daarenboven moeten de goederen waarvan de aankoop gebeurde vóór 2007 niet opgenomen worden in de inventaris.

 

Onroerende goederen

 

Voor de onroerende goederen worden de ligging, het kadastraal inkomen, in voorkomend geval de erop rustende lasten en de al dan niet periodieke opbrengsten ervan en indien bekend het jaar van verwerving in de inventaris vermeld. Ook belangrijke investeringsprojecten worden vermeld met verwijzing naar de desbetreffende investeringssteekkaart.

 

Gebouwen

 

Bij de gebouwen waarover het bestuur van de eredienst beschikt, wordt vermeld of ze al dan niet beschermd zijn, in de zin van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten met latere wijzigingen.

 

Vorderingen

 

Een vordering is elk in geld uitgedrukt bedrag dat door een welbepaalde derde aan het bestuur van de eredienst verschuldigd is. Het zijn ontvangsten die nog moeten geďnd worden. Een vordering wordt gekenmerkt door zijn toekomstige en onzekere aard. Een vordering wordt slechts definitief een ontvangst voor het deel dat effectief geďnd wordt.

 

De vorderingen worden vastgesteld door de voorzitter en de secretaris en worden door de penningmeester onmiddellijk, doorlopend genummerd, opgenomen in het desbetreffende deel van de inventaris, met vermelding van de datum van het stuk, het financieel boekjaar en het bedrag.

 

De inventaris vermeldt tevens het eventueel al ontvangen bedrag en het saldo. Minstens eenmaal per jaar en in ieder geval op 31 december worden alle ontvangsten, evenals de oninbaar verklaarde bedragen die betrekking hebben op een van die vorderingen in dat deel van de inventaris opgenomen, zodat de openstaande vorderingen kunnen worden afgelezen.

 

Schulden

 

Een schuld is elk in geld uitgedrukt bedrag dat door het bestuur van de eredienst aan een welbepaalde derde verschuldigd is. Het zijn betalingen die nog moeten uitgevoerd worden. Een schuld wordt gekenmerkt door zijn toekomstige en onzekere aard. Een schuld wordt slechts definitief een uitgave voor het deel dat effectief betaald wordt.

 

De schulden worden door de penningmeester onmiddellijk, doorlopend genummerd, opgenomen in het desbetreffende deel van de inventaris, met vermelding van de datum van het stuk, het financieel boekjaar en het bedrag. De inventaris vermeldt tevens het eventueel al betaalde bedrag en het saldo.

 

Minstens eenmaal per jaar en in ieder geval op 31 december worden alle betalingen van schulden in dat deel van de inventaris opgenomen, zodat het saldo kan worden afgelezen.

 

De opname van een schuld op deze lijst veronderstelt altijd een uitgestelde betaling. Er zijn verschillende redenen om de betaling van een schuld uit te stellen. Ondermeer: de betwisting van een schuld; een (tijdelijk) tekort aan betalingsmiddelen; een overeengekomen vervaldag van een deel of het geheel van de schuld.

 

Verplichtingen

 

Verplichtingen vloeien dikwijls voor uit stichtingen. Het zijn de (positieve) daden die een kerkbestuur moet stellen als een aan een stichting verbonden voorwaarde.

 

Ontwaardingpercentages

 

Hoeveel vermindert de waarde van een goed? In gemengde boekhoudingen wordt fiscaal rekening gehouden met percentages van de aanschafwaarde. De normaal gangbare lineaire percentages zijn de volgende:

 

·         Software 20 – 33 %; vb. de aankoop van Religiosoft.

·         Informaticamaterieel en -meubilair 20 – 33 %; vb. pc’s die door de pastoor of het secretariaat gebruikt worden.

·         Gebouwen 3 %; vb. De pastorie of het kerkgebouw. Het private patrimonium.

·         Overige zakelijke rechten op onroerende goederen 3 %.

·         Onroerende goederen door bestemming 5 %; vb. De biechtstoelen die in de kerkmuur ingebouwd zijn. Het kerkorgel.

·         Inrichting van de gebouwen 3 %; vb. De schilderwerken in de kerk.

·         Machines, installaties 10 – 20 %; vb. De geluidsinstallatie.

·         Meubilair en materieel 10 %; vb. De kerkstoelen. De tapijten. De kerkzangboeken.

·         Rollend materieel 20 %; vb. De auto van de pastoor die eigendom is van de kerkfabriek.

·         Kazuifels, gewaden en processiekledij: 5 %.

·         Altaarlinnen: 10 %.

·         Beveiliging: 22,5 %.

 

Beroepskledij

 

Beroepskledij is een speciaal geval. Meestal wordt beroepskledij niet afgeschreven en is de kost fiscaal ook niet aftrekbaar. Het criterium is: kan de kledij al of niet met min of meer gemak ook gedragen worden in omstandigheden die niets met het beroep te maken hebben.

 

Beroepsgroepen die bijzondere ambtskledij dragen die niet op een andere manier kan gebruikt worden, mogen deze ambtskledij wel, maar beperkt aftrekken. Het afschrijvingspercentage varieert volgens de intensiteit en de min of meer langere duurtijd van gebruik tussen 5 en 10 %.

 

Vb. 8. De toga van een rechter: 5 % ; de uitrusting van een brandweerman: 10 %; de kazuifels en de processiegewaden van een bedienaar: 5 %.

 

Afwijkende gebruiksduur

 

Indien afgeweken wordt van deze percentages om rekening te houden met een andere waarschijnlijke gebruiksduur, wordt dit verantwoord in de toelichting. Men kan aldus versneld of vertraagd afschrijven.

Er bestaan verschillende methodes om goederen af te schrijven en de waardevermindering ervan te registreren. De best gekende zijn hierna opgesomd. Deze met * zijn fiscaal aanvaard:

 

·         Lineaire afschrijving *: een afschrijving met een gelijk deel of percentage op basis van de aanschafprijs gedurende de ganse afschrijvingsperiode.

·         Progressieve afschrijving: een afschrijving met een ongelijk groter wordend deel of percentage gedurende de afschrijvingsperiode. Meestal neemt men een kleiner wordend percentage van de oorspronkelijke waarde.

·         Degressieve afschrijving *: een afschrijving met een ongelijk kleiner wordend deel of percentage gedurende de afschrijvingsperiode. Meestal neemt men een gelijk percentage op de restboekwaarde van het goed.

 

Traditioneel wordt lineair afgeschreven als er geen productieprocessen of zeer intens gebruik de nuttige levensduur en de waarde van een goed beďnvloedt.

 

Algemene principes bij het vastleggen van waarderingsregels.

 

1.       Elke kerkraad bepaalt de regels die gelden voor de waardering van de inventaris en, ondermeer, voor de vorming en de aanpassing van afschrijvingen, waardeverminderingen en voorzieningen voor risico’s en kosten evenals voor de herwaarderingen.

 

2.       Deze regels worden bepaald door het bestuursorgaan van het kerkfabriek en vastgelegd in het inventarisboek.

 

Ze worden samengevat in de toelichting. Deze samenvatting moet voldoende nauwkeurig zijn zodat inzicht wordt verkregen in de toegepaste waarderingsmethoden.

 

3.       Indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat de toepassing van een waarderingsregel niet leidt tot een getrouw beeld, moet daarvan afgeweken worden teneinde hieraan te voldoen.

 

Dergelijke afwijking wordt in de toelichting vermeld en verantwoord. De geraamde invloed ervan op het vermogen, de financiële positie en het resultaat wordt vermeld in de toelichting bij de jaarrekening over het exploitatiejaar waarin de afwijkende waarderingsregel voor het eerst wordt toegepast.

 

4.       De waarderingsregels bedoeld in 1. moeten van het ene exploitatiejaar op het andere identiek blijven en stelselmatig worden toegepast.

 

Ze worden evenwel gewijzigd wanneer, onder meer uit hoofde van belangrijke veranderingen in de activiteiten van het kerkraad, in de structuur van het vermogen of in de economische dan wel technologische omstandigheden, de vroeger gevolgde waarderingsregels niet langer beantwoorden aan het getrouw beeld.

 

5.       Elk vermogensbestanddeel opgenomen in de jaarrekening wordt afzonderlijk gewaardeerd.

 

6.       De waarderingen moeten voldoen aan de eisen van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw.

 

§ 1. Er moet rekening worden gehouden met alle voorzienbare risico’s, mogelijke verliezen en ontwaardingen, ontstaan tijdens het exploitatiejaar waarop de jaarrekening betrekking heeft of tijdens voorgaande boekjaren, zelfs indien deze risico’s, verliezen of ontwaardingen slechts gekend zijn op het ogenblik waarop de jaarrekening door de penningmeester van de kerkraad wordt opgesteld.

 

In de gevallen waarin, bij gebreke aan objectieve beoordelingscriteria, de waardering van de voorzienbare risico’s, de mogelijke verliezen en de ontwaardingen onvermijdelijk onzeker en wisselvallig is, wordt hiervoor geen voorziening aangelegd, maar wordt van het risico louter melding gemaakt in de toelichting.

 

§ 2. Er moet rekening worden gehouden met de kosten en de opbrengsten die betrekking hebben op het exploitatiejaar of op voorgaande exploitatiejaren, ongeacht de dag waarop deze kosten en opbrengsten worden betaald of geďnd, behalve indien de effectieve inning van deze opbrengsten onzeker is.

 

Ten laste van het exploitatiejaar moeten onder meer worden geboekt: de bezoldigingen, uitkeringen en andere sociale voordelen die in de loop van een volgend exploitatiejaar zullen worden betaald voor diensten die tijdens het exploitatiejaar of tijdens vorige boekjaren zijn verricht.

 

Wanneer de opbrengsten of de kosten in belangrijke mate worden beďnvloed door opbrengsten of kosten die aan een ander exploitatiejaar moeten worden toegerekend, wordt daarvan melding gemaakt in de toelichting.

 

Schenkingen en legaten

 

7.       § 1. De goederen die aan de kerkraad werden geschonken of nagelaten en die het voor zijn activiteit bestemt, worden geboekt op het ogenblik van hun verkrijging. De goederen die kosteloos ter beschikking worden gesteld van de kerkraad worden enkel geboekt indien de kerkraad ze tegen betaling mag uitbaten. Ze worden gewaardeerd tegen hun marktwaarde of, bij ontstentenis, tegen hun gebruikswaarde.

 

§ 2. De andere goederen die aan de kerkraad worden geschonken of nagelaten, alsook de diensten die vrijwillig voor deze laatste worden gepresteerd, worden enkel geboekt als ze bestemd zijn om te worden gerealiseerd.

 

Ze worden geregistreerd op het ogenblik van het opmaken van de inventaris of op het ogenblik van hun realisatie indien deze aan de inventaris voorafgaat. Ze worden gewaardeerd op hun waarschijnlijke realisatiewaarde op het ogenblik van het opmaken van de inventaris of op hun realisatiewaarde indien deze plaatsvindt vóór de inventaris.

Toepassing Decreet, art. 54

 

Naar Index

Naar littera W