CENTRAAL KERKBESTUUR GENT STAD

Jakobijnenstraat 4 te 9000 Gent

 

A.   Kerkraad

 

Budget

 

Termijnen

 

De budgetten moeten jaarlijks door de kerkraden bij het Centraal kerkbestuur ingediend worden voor 30 juni, dit wil zeggen uiterlijk op 29 juni [zie Decreet, art. 46]. Het Centraal Kerkbestuur vraagt advies aan het erkend representatief orgaan, hetzij aan de Bisschop of zijn aangestelde. De termijn waarover de bisschop beschikt is niet vastgelegd.

Echter is bepaald dat het Centraal kerkbestuur nŗ verkregen advies, de budgetten bij de gemeenteraad moet indienen voor 01 oktober, hetzij ten laatste op 30 september. Daaruit kan men besluiten dat de bisschop over een termijn beschikt van ongeveer 90 dagen (21 juli en 15 augustus vallen in principe als wettelijke feestdagen weg) om zijn advies te verstrekken.

De volledige uitputting van deze termijn brengt echter het Centraal Kerkbestuur in een moeilijk parket, aangezien dit bestuur ook de wijzigingen van de budgetten moet behandelen en deze gecoŲrdineerd moet indienen bij de gemeenteraad voor 15 september, dit wil zeggen uiterlijk op 14 september [zie Decreet, art. 50].

 

Toepassing van artikel 47 van het Decreet

 

Einde boekjaar en Verrekening van Inkomsten en Uitgaven

 

Het financiŽle boekjaar eindigt op 31 december.

 

Het is dus niet langer mogelijk om in het begin van het jaar nog uitgaven te doen op het voorgaande financiŽle boekjaar.

 

In het begin van januari kunnen nog wel de uitgaven worden geboekt die op een bankuittreksel voorkomen met als bankdatum 31/12, maar geen nieuwe uitgaven meer worden gedaan die betrekking hebben op het voorgaande jaar [vergelijk Nieuwe Gemeentewet, art. 238, 2de lid: ď Behoren tot een dienstjaar alleen de rechten verkregen door de gemeente en de verplichtingen aangegaan ten opzichte van de schuldeisers tijdens dit dienstjaar, ongeacht het dienstjaar waarin zij worden vereffend.Ē].

 

Toepassing van artikel 45 van het Decreet

 

Samenstellende delen, financiŽle nota

 

Het budget bestaat uit een financiŽle nota en een beleidsnota. De financiŽle nota van het budget maakt een onderscheid tussen de ontvangsten en uitgaven, inclusief overboekingen die betrekking hebben op de exploitatie enerzijds en op de investeringen anderzijds.

 

Het budget geeft de kredieten weer voor alle ontvangsten en uitgaven, inclusief overboekingen, die tijdens dat financieel boekjaar kunnen worden verricht, met uitzondering van de geldverrichtingen die enkel betrekking hebben op de beschikbare kasvoorraad.

 

Het budget geeft daarnaast de cijfers van de laatst vastgestelde jaarrekening, de cijfers van het laatst vastgestelde budget en de voor dat financieel boekjaar opgenomen cijfers uit het niet-geactualiseerde meerjarenplan. Wat de vorm en inhoud aangaan, zijn er beperkingen opgelegd bij ministerieel besluit.

 

De financiŽle nota is de cijfermatige vertaling van al wat het bestuur van de eredienst heeft gepland voor dat financiŽle boekjaar. Het model voor die financiŽle nota werd vastgesteld bij ministerieel besluit en is uiteraard op dezelfde wijze opgebouwd als de financiŽle nota van het meerjarenplan.

 

Ter vergelijking worden er naast de eigenlijke budgetcijfers ook de cijfers van de laatste vastgestelde jaarrekening in opgenomen, de cijfers van het vorige budget en de cijfers van het laatste niet-geactualiseerde meerjarenplan. Met dat laatste worden de cijfers bedoeld die in het initiŽle (of gewijzigde) meerjarenplan stonden voordat het budget werd opgesteld. In die zin is dat het niet-geactualiseerde meerjarenplan, aangezien bij het opstellen van het budget het meerjarenplan moet worden geactualiseerd door de budgetcijfers op te nemen in het meerjarenplan. Het heeft geen zin om de cijfers van na die actualisering op te nemen, aangezien die per definitie identiek zullen zijn aan de cijfers van het budget.

 

Boekhoudkundig moet het totaal van de geraamde ontvangsten in de exploitatie, aangevuld met de eventuele gemeentelijke of provinciale exploitatietoelage, en [het gecorrigeerd overschot of tekort van de exploitatie van twee financiŽle boekjaren voordien], gelijk zijn aan de som van de geraamde uitgaven in de exploitatie en de overboekingen. De gemeentelijke of provinciale exploitatietoelage is de sluitpost van die berekening.

 

Het saldo van de geraamde ontvangsten en de uitgaven van de investeringen, met inbegrip van het overschot of tekort van de investeringen van twee financiŽle boekjaren voordien, het eventuele negatieve saldo van de budgetwijziging van het voorgaande financiŽle boekjaar, vermeld in artikel 23, tweede lid, en de overboekingen, is gelijk aan of groter dan nul. De zelfbedruipende besturen mogen gemotiveerd afwijken van de bepalingen van dit artikel.

 

Uit de cijfers van de financiŽle nota van het budget moet blijken dat de financiŽn van het bestuur van de eredienst in evenwicht zijn. Daarom wordt er een verplicht evenwicht opgelegd in artikel 20 van het reglement.

 

Toepassing van artikel 46 van het Decreet

 

Schematische voorstelling FinanciŽle nota

 

In het model van de financiŽle nota voor het budget wordt de volgende voorstelling opgelegd:

 

A

Eredienst

ontvangsten

uitgaven

overschot/tekort

B

gebouwen van de eredienst

ontvangsten

uitgaven

overschot/tekort

C

bestuur van de eredienst

ontvangsten

uitgaven

overschot/tekort

D

privaat patrimonium

ontvangsten

uitgaven

overschot/tekort

E

Stichtingen

ontvangsten

uitgaven

overschot/tekort

F

exploitatie zonder financiering

totaal (A-E)

totaal (A-E)

overschot/tekort

G

Financiering

ontvangsten

uitgaven

overschot/tekort

H

exploitatie voor overboekingen

som F+G

som F+G

overschot/tekort

I

Overboekingen

totaal

J

exploitatie eigen financieel boekjaar

verschil (H-I)

K

gecorrigeerd overschot/tekort exploitatie n-2

verschil (K1-K2)

 

K1 overschot/tekort exploitatie n-2

xx

 

K2 gecorrigeerd overschot/tekort in budget n-1

xx

L

exploitatie voor toelage

som J+K

M

Exploitatietoelage

xx

 

M1 gewone exploitatietoelage

†† xx

 

M2 achterstallige exploitatietoelage

(xx)

N

overschot exploitatie

som L+M (0)

 

Per hoofdfunctie wordt in deze tabel het totaal van de ontvangsten en van de uitgaven opgenomen, en het overschot of tekort waarin dat resulteert. Daarvan wordt dan een tussentotaal (F) gemaakt zonder de hoofdfunctie financiering, wat het totaal oplevert van de ontvangsten en uitgaven die werkelijk op dat financiŽle boekjaar betrekking hebben: dus zonder de aflossingen van de leningen. Als bij dat tussentotaal ook de hoofdfunctie financiering wordt geteld, wordt het totaal van de exploitatie voor overboekingen (H) verkregen. Daar moeten dan de eventuele overboekingen naar de investeringen worden bijgeteld om het totaal van de exploitatie van het eigen financiŽle boekjaar (J) te krijgen.

 

Voordat de exploitatietoelage kan worden berekend, moet eerst nog het resultaat van de exploitatie van de voorgaande jaren worden opgenomen in de berekening. Wat het gemeente- of provinciebestuur vroeger te veel heeft betaald, wordt daardoor in mindering gebracht op de exploitatietoelage. Concreet gebeurt die correctie aan de hand van het overschot of tekort van de exploitatie in de rekening van twee financiŽle boekjaren voordien (K1), verminderd met het bedrag dat in het budget voor het voorgaande jaar werd opgenomen op de rij K (K2). Het bedrag dat zo verkregen wordt, wordt het gecorrigeerde overschot of tekort van de exploitatie van twee financiŽle boekjaren voordien (K) genoemd. Het is niet mogelijk dat gecorrigeerde overschot of tekort te vervangen door het werkelijke overschot van de exploitatie van het voorgaande financieel boekjaar, ook niet nadat de rekening van dat jaar vastgesteld is. Als het budget eenmaal is vastgesteld, blijft het bedrag op de rij K van het budget dus ongewijzigd.

 

De som van de exploitatie van het eigen financiŽle boekjaar en het gecorrigeerde overschot of tekort van de exploitatie van twee financiŽle boekjaren voordien, levert het totaal van de exploitatie voor toelage op. Als dat een negatief getal is, dan is het bedrag dat nodig is om op nul te komen, het bedrag van de exploitatietoelage (M) voor dat jaar.

 

Het is van belang te onderstrepen dat weliswaar per hoofdfunctie het overschot of tekort wordt berekend, maar dat daaraan geen enkel gevolg gekoppeld kan worden. Die tussentotalen zijn alleen bedoeld om een algemeen overzicht te krijgen van de ontvangsten en uitgaven van het bestuur van de eredienst en dienen dus zeker niet om een evenwicht per hoofdfunctie op te leggen.

 

Er wordt in dit overzicht ook een rij opgenomen waarin de eventuele achterstallige exploitatietoelagen van de voorgaande jaren kunnen worden ingevoerd. Daardoor kan het bestuur verduidelijken dat een gedeelte van de exploitatietoelage voor het jaar van het budget in feite nog een achterstallige verplichting is van het gemeente- of provinciebestuur. Aangezien er vertrokken wordt van het resultaat van twee jaar voordien, zal dat normaal alleen in uitzonderlijke gevallen gebruikt worden.

 

Net als bij het meerjarenplan wordt op de evenwichtsverplichting een uitzondering gemaakt voor de zelfbedruipende besturen. Ze kunnen, met toepassing van artikel 20, derde lid, gemotiveerd afwijken van het verplichte evenwicht. Dat geeft hen de mogelijkheid om op een soepeler manier om te gaan met de verwerking van de overschotten en tekorten van het verleden in hun budgetten. Aangezien er bij de zelfbedruipende besturen geen sprake is van een exploitatietoelage, houdt dat geen risicoís in voor het betrokken gemeente- of provinciebestuur. Het is wel van belang dat die afwijking afdoende gemotiveerd wordt. De beleidsnota van het budget is wellicht de aangewezen plaats om die motivering op te nemen.

 

Toepassing van artikel 46 van het Decreet

 

Samenstellende delen, beleidsnota

 

De beleidsnota verwoordt het beleid dat het bestuur van de eredienst gedurende het desbetreffende financieel boekjaar zal voeren en verantwoordt minimaal de wijzigingen ten opzichte van de cijfers voor dat financieel boekjaar uit het niet-geactualiseerde meerjarenplan.

 

De beleidsnota is dus eigenlijk de basis voor de cijfers van de financiŽle nota (en vervangt de toelichting). Omdat die cijfers kunnen afwijken van de cijfers van het meerjarenplan, is het van belang dat minstens die verschillen worden geduid.

 

Toepassing van artikel 46 van het Decreet

 

Evenwicht

 

Boekhoudkundig moet het totaal van de geraamde ontvangsten in de exploitatie, aangevuld met de eventuele gemeentelijke of provinciale exploitatietoelage, en het gecorrigeerd overschot of tekort van de exploitatie van twee financiŽle boekjaren voordien, gelijk zijn aan de som van de geraamde uitgaven in de exploitatie en de overboekingen. De gemeentelijke of provinciale exploitatietoelage is de sluitpost van die berekening.

 

Het saldo van de geraamde ontvangsten en de uitgaven van de investeringen, met inbegrip van het overschot of tekort van de investeringen van twee financiŽle boekjaren voordien, het eventuele negatieve saldo van de budgetwijziging van het voorgaande financiŽle boekjaar, vermeld in artikel 23, tweede lid, en de overboekingen, is gelijk aan of groter dan nul. De zelfbedruipende besturen mogen gemotiveerd afwijken van de bepalingen van dit artikel.

 

Uit de cijfers van de financiŽle nota van het budget moet blijken dat de financiŽn van het bestuur van de eredienst in evenwicht zijn. Daarom wordt er een verplicht evenwicht opgelegd in artikel 20 van het reglement.

 

Ook in de investeringen wordt er een evenwichtsverplichting opgelegd. In tegenstelling tot in het meerjarenplan wordt hier wel rekening gehouden met de eventuele overschotten of tekorten in de investeringen in het verleden.

 

Toepassing van artikel 46 van het Decreet

 

Schematische voorstelling exploitatie-evenwicht

 

Dat evenwicht in de exploitatie kan schematisch als volgt worden weergegeven

 

Exploitatieontvangsten

 

- exploitatie-uitgaven

 

 

exploitatie voor overboekingen

- overboekingen naar investeringen

 

 

exploitatie eigen dienstjaar

gecorrigeerd overschot/tekort exploitatie n-2

 

 

exploitatie voor toelage

Exploitatietoelage

 

 

Nul

 

Toepassing van artikel 46 van het Decreet

 

Schematische voorstelling, Investeringen en FinanciŽle nota

 

In het model voor de financiŽle nota van het budget wordt de volgende voorstelling opgelegd:

 

O

Eredienst

ontvangsten

uitgaven

overschot/tekort

P

gebouwen van de eredienst

ontvangsten

uitgaven

overschot/tekort

Q

bestuur van de eredienst

ontvangsten

uitgaven

overschot/tekort

R

privaat patrimonium

ontvangsten

uitgaven

overschot/tekort

S

Stichtingen

ontvangsten

uitgaven

overschot/tekort

T

investeringen zonder financiering

som (O-S)

som (O-S)

overschot/tekort

U

Financiering

ontvangsten

uitgaven

overschot/tekort

V

investeringen voor overboekingen

som T+U

som T+U

overschot/tekort

W

Overboekingen

 

 

Totaal

X

investeringen eigen financieel boekjaar

 

 

som V+W

Y

overschot/tekort investeringen n-2

 

 

Xx

Y'

overschot/tekort budgetwijziging n-1

 

 

Xx

Z

overschot/tekort investeringen

 

 

som

 

Net als in de exploitatie wordt in deze tabel per hoofdfunctie het totaal van de ontvangsten en van de uitgaven opgenomen en het overschot of tekort waarin dat resulteert. Daarvan wordt dan een tussentotaal gemaakt zonder de hoofdfunctie financiering.

 

Door bij dat tussentotaal ook de hoofdfunctie financiering op te tellen, wordt het totaal van de investeringen voor overboekingen verkregen. Door daar de overboekingen bij op te tellen, wordt het overschot of tekort van de investeringen van het eigen financiŽle boekjaar verkregen.

 

Daar moeten dan nog de resultaten uit het verleden worden bijgeteld: het resultaat van de investeringen in de rekening van twee jaar voordien. Hierbij moet in voorkomend geval ook rekening worden gehouden met het tekort van de budgetwijziging van het voorgaande jaar. Dat is een uitzonderlijke regeling die verder wordt toegelicht.

 

De uiteindelijke slotsom van de investeringen moet steeds nul zijn.

 

De gemeentelijke of provinciale investeringstoelagen worden hier niet als een sluitpost opgenomen in dit overzicht. Die toelagen zullen immers afhankelijk zijn van de concrete investeringsprojecten en werden dus, net als bijvoorbeeld de gewestelijke toelagen, opgenomen bij de investeringsontvangsten. Dat is een duidelijk verschil tussen de voorstelling van de exploitatie en die van de investeringen.

 

Toepassing van artikel 46 van het Decreet

 

Schematische voorstelling, investeringen

 

Het evenwicht in de investeringen kan schematisch als volgt worden voorgesteld.

 

investeringsontvangsten

 

- investeringsuitgaven

 

 

investeringen voor overboekingen

overboekingen uit exploitatie

 

 

investeringen eigen dienstjaar

overschot/tekort investeringen n-2

 

negatief saldo budgetwijziging n-1

 

 

nul of groter dan nul

 

Er is hier niet in een aparte rij voor de tegemoetkomingen van de gemeente of de provincie voorzien omdat die opgenomen zijn bij de andere investeringsontvangsten.

 

Toepassing van artikel 46 van het Decreet

 

Budget binnen de grenzen van het meerjarenplan

 

De budgetten worden door het centraal bestuur, na advies van het representatief orgaan van de eredienst, ingediend bij het gemeente- of provinciebestuur [zie Decreet, art. 47]. Het decreet maakt daarbij een onderscheid tussen twee mogelijkheden: het budget is conform het meerjarenplan, het budget overstijgt het goedgekeurde meerjarenplan.

 

In het eerste geval blijft de gemeentelijke of provinciale toelage in het budget binnen de grenzen van het bedrag opgenomen in het goedgekeurde meerjarenplan. In die situatie neemt de gemeente- of provincieraad akte van het budget binnen een termijn van vijftig dagen [zie Decreet, art. 48].

 

Dit wil zeggen dat de Gemeenteraad de budgetten conform het meerjarenplan de facto moet aanvaarden. De gemeenteraad licht het CKB, het Kerkbestuur en het erkend representatief orgaan (de Bisschop) van zijn besluit in binnen een termijn van 50 dagen vanaf de dag na de dag van ontvangst van het budget.

 

Als het budget binnen het bedrag van het (goedgekeurde) meerjarenplan blijft, dan geldt dezelfde sanctie wegens gebrek, namelijk de feitelijke goedkeuring van het budget.

 

De toezichtprocedure zoals die door het Eredienstendecreet wordt bepaald, maakt van het meerjarenplan het ultieme document in de relatie tussen het gemeente- of provinciebestuur en het bestuur van de eredienst.

 

Zolang het bestuur van de eredienst zich aan de in het meerjarenplan vastgelegde opties houdt, neemt het gemeente- of provinciebestuur enkel akte van het budget. Er kan in die situatie geen sprake meer zijn van een niet-goedkeuring of een schorsing van het budget.

 

Voor de budgetwijzigingen geldt dezelfde regeling als voor de budgetten.

 

Toepassing van artikel 48 van het Decreet

 

Budget buiten de grenzen van het meerjarenplan

 

De budgetten worden door het centraal bestuur, na advies van het representatief orgaan van de eredienst, ingediend bij het gemeente- of provinciebestuur [zie Decreet, art. 47]. Het decreet maakt daarbij een onderscheid tussen twee mogelijkheden: het budget is conform het meerjarenplan, het budget overstijgt het goedgekeurde meerjarenplan.

 

In het tweede geval is de gemeentelijke of provinciale toelage in het budget hoger dan het bedrag dat in het goedgekeurde meerjarenplan was opgenomen. In dat geval kan de gemeente- of provincieraad het budget aanpassen om die overeenstemming met het meerjarenplan te verkrijgen [zie Decreet, art. 49]. Die budgetaanpassing moet doorgevoerd worden binnen een termijn van vijftig dagen en er is een beroepsmogelijkheid bij de provinciegouverneur (binnen dertig dagen, uitspraak binnen opnieuw dertig dagen).

 

De procedure, vermeld in artikel 49 van het Eredienstendecreet is echter voor heel bijzondere situaties. Een verhoging van de gemeentelijke of provinciale toelage maakt immers een wijziging van het meerjarenplan noodzakelijk. Als dat meerjarenplan gewijzigd en goedgekeurd is, doet er zich geen probleem voor, aangezien het gewijzigde meerjarenplan het referentiepunt zal zijn voor de beoordeling van het budget.

 

In artikel 49 is bepaald wat er moet gebeuren als het gewijzigde meerjarenplan nog niet werd goedgekeurd en er bijvoorbeeld nog een beroepsprocedure loopt. In afwachting van het beslechten van de betwisting rond het gewijzigde meerjarenplan kan de gemeente- of provincieraad dan de budgetten aanpassen die niet in overeenstemming zijn met het vroegere, wel goedgekeurde, meerjarenplan.

 

De toezichtprocedure zoals die door het Eredienstendecreet wordt bepaald, maakt van het meerjarenplan het ultieme document in de relatie tussen het gemeente- of provinciebestuur en het bestuur van de eredienst. Zolang het bestuur van de eredienst zich aan de in het meerjarenplan vastgelegde opties houdt, neemt het gemeente- of provinciebestuur enkel akte van het budget. Er kan in die situatie geen sprake meer zijn van een niet-goedkeuring of een schorsing van het budget.

 

Voor de budgetwijzigingen geldt dezelfde regeling als voor de budgetten.

 

Toepassing van artikel 48 van het Decreet.

 

B.   Centraal kerkbestuur

De CoŲrdinerende rol van het Centraal Kerkbestuur

Tot het takenpakket van het centraal kerkbestuur behoort het gecoŲrdineerd indienen van het meerjarenplan (en de wijzigingen), van het budget (en de wijzigingen) en van de jaarrekening.

De budgetten moeten jaarlijks door de kerkraden bij het Centraal kerkbestuur ingediend worden voor 30 juni, dit wil zeggen uiterlijk op 29 juni [zie Decreet, art. 46]. Het Centraal Kerkbestuur vraagt advies aan het erkend representatief orgaan, hetzij aan de Bisschop of zijn aangestelde. De termijn waarover de bisschop beschikt is niet vastgelegd.

 

Echter is bepaald dat het Centraal kerkbestuur nŗ verkregen advies, de budgetten bij de gemeenteraad moet indienen voor 01 oktober, hetzij ten laatste op 30 september. Daaruit kan men besluiten dat de bisschop over een termijn beschikt van ongeveer 90 dagen (21 juli en 15 augustus vallen in principe als wettelijke feestdagen weg) om zijn advies te verstrekken.

 

De volledige uitputting van deze termijn brengt echter het Centraal Kerkbestuur in een moeilijk parket, aangezien dit bestuur ook de wijzigingen van de budgetten moet behandelen en deze gecoŲrdineerd moet indienen bij de gemeenteraad voor 15 september, dit wil zeggen uiterlijk op 14 september [zie Decreet, art. 50].

 

De budgetten blijven afzonderlijke documenten. Er is geen sprake van consolidatie van de afzonderlijke budgetten in een gezamenlijk budget. Wel moet het centraal bestuur ook hier een samenvattende tabel opstellen met de verschillende toelagen voor de verschillende besturen.

 

Die samenvattende tabel kan op verschillende wijzen worden opgemaakt, maar een mogelijke voorstelling is de volgende:

 

 

exploitatietoelage

investeringstoelagen

totaal

bestuur A

10

10

20

bestuur B

10

30

40

bestuur C

5

0

5

bestuur D

7

0

7

totaal

32

40

72

 

Toepassing van artikel 47 van het Decreet

 

Termijn voor gecoŲrdineerde indiening

 

De budgetten moeten jaarlijks door de kerkraden bij het Centraal kerkbestuur ingediend worden voor 30 juni, dit wil zeggen uiterlijk op 29 juni [zie Decreet, art. 46]. Het Centraal Kerkbestuur vraagt advies aan het erkend representatief orgaan, hetzij aan de Bisschop of zijn aangestelde. De termijn waarover de bisschop beschikt is niet vastgelegd.

Echter is bepaald dat het Centraal kerkbestuur nŗ verkregen advies, de budgetten bij de gemeenteraad moet indienen voor 01 oktober, hetzij ten laatste op 30 september. Daaruit kan men besluiten dat de bisschop over een termijn beschikt van ongeveer 90 dagen (21 juli en 15 augustus vallen in principe als wettelijke feestdagen weg) om zijn advies te verstrekken.

De volledige uitputting van deze termijn brengt echter het Centraal Kerkbestuur in een moeilijk parket, aangezien dit bestuur ook de wijzigingen van de budgetten moet behandelen en deze gecoŲrdineerd moet indienen bij de gemeenteraad voor 15 september, dit wil zeggen uiterlijk op 14 september [zie Decreet, art. 50].

 

Toepassing van artikel 47 van het Decreet

© PťDťWť 01.2009 Hoewel de teksten hoofdzakelijk gebaseerd zijn op wetteksten, decretale verordeningen en omzendbrieven, is de interpretatie die er aan wordt gegeven een persoonlijk standpunt dat noch de Vlaamse Regering en haar administratie(s), noch de burgerlijke overheden en haar administratie(s), noch de kerkelijke overheid en haar instelling(en) verbindt.

Printversie