CENTRAAL KERKBESTUUR GENT STAD

 

Jakobijnenstraat 4 te 9000 Gent

 

Art. 55. (de gecoördineerde indiening van de jaarrekening en de kwijting)

§ 1. De rekeningen worden jaarlijks voor 1 mei 1  samen bij de gemeenteoverheid en tegelijkertijd 2 bij de provinciegouverneur ingediend door het centraal kerkbestuur waaronder de kerkfabrieken ressorteren. Als er geen centraal kerkbestuur werd opgericht, dient de kerkfabriek de rekening in.

De Vlaamse regering bepaalt het model voor het opmaken van de rekening door de kerkraad en voor het gezamenlijk indienen van de rekeningen door het centraal kerkbestuur.

§ 2. De rekeningen zijn onderworpen aan het advies van de gemeenteraad en aan de goedkeuring van de provinciegouverneur.

Bij ontstentenis van het versturen van zijn advies naar de provinciegouverneur binnen een termijn van vijftig dagen, die ingaat op de dag na het inkomen van de rekeningen bij de gemeenteoverheid, wordt de gemeenteraad geacht een gunstig advies te hebben uitgebracht.

Binnen tweehonderd dagen na ontvangst van de jaarrekeningen spreekt de provinciegouverneur zich uit over de goedkeuring van de rekening en stelt hij de bedragen ervan vast. Hij verstuurt zijn besluit uiterlijk de laatste dag van deze termijn. Als binnen de voormelde termijn geen besluit naar het centraal kerkbestuur is verstuurd, wordt de provinciegouverneur geacht zijn goedkeuring te hebben verleend. Hij deelt zijn beslissing ook mee aan de gemeenteoverheid, de kerkfabriek, de penningmeester en het erkend representatief orgaan.

§ 3. De kerkraad verleent in de eerstvolgende vergadering kwijting aan de penningmeester over de afgelegde rekening. De kwijting is rechtsgeldig voor zover de ware toestand niet werd verborgen door enige weglating of onjuiste opgave in de jaarrekening.

Het niet-verlenen van kwijting aan de penningmeester kan alleen bij gemotiveerd besluit. De penningmeester en de provinciegouverneur worden zonder verwijl en gelijktijdig van deze beslissing in kennis gesteld.

Is er blijkens een definitief geworden beslissing inzake de kwijting een tekort vastgesteld, dan verzoekt de kerkfabriek de penningmeester, met een aangetekende brief, een gelijkwaardig bedrag in de kas van de kerkfabriek te storten.

De eerste kwijting na de inwerkingtreding van dit decreet geldt als kwijting voor de voorgaande jaren.

1. Gewijzigd bij Decreet van 06.07.2012 met inwerkingtreding vanaf 01.01.2013, voorheen: “ 1 juni “.

2. Ingevoegd bij Decreet van 06.07.2012 met inwerkingtreding vanaf 01.01.2013.

 

Gezamenlijke indiening

 

Als een centraal bestuur werd opgericht, dient dat centraal bestuur de jaarrekeningen gezamenlijk in, in de vorm van de onderscheiden jaarrekeningen, aangevuld met een overzicht van de overschotten en tekorten van die jaarrekeningen en van de betaalde toelagen (zie AR-Bh tot 05.09.2008, art. 44).

 

Zowel bij de gemeenteraad als bij de gouverneur wordt de jaarrekening op hetzelfde ogenblik ingediend (zie Decreet, art. 55, § 1, 1ste zinsdeel) door het CKB.

 

Uiterste datum

 

De jaarrekeningen worden ten laatste op 30 april, dit is vóór 1 mei jaarlijks door het centraal bestuur gezamenlijk en tegelijkertijd ingediend bij het gemeentebestuur en de provinciegouverneur. Net als bij de meerjarenplannen en de budgetten kan en mag het centraal bestuur hierbij geen wijzigingen aanbrengen in de jaarrekeningen.

 

Overzicht

 

Het centraal bestuur moet wel een overzicht van de betaalde toelagen opmaken, en een overzicht van de overschotten en tekorten van de jaarrekeningen. Die overschotten en tekorten spelen immers een rol bij de volgende budgetten. Het is dus nuttig dat het gemeente- of provinciebestuur daar een beknopt overzicht van heeft.

 

Een dergelijk overzicht zou de volgende vorm kunnen aannemen:

 

bestuur

exploitatie

investeringen

 

toelage

overschot/tekort

toelage

overschot/tekort

A

10

2

10

-10

B

10

1

30

2

C

5

-1

0

0

D

7

4

0

0

 

(zie GV boekhouding 22.02.2008, pt. 9.2)

 

Gemeentelijk advies

 

Vóór 1 mei, dit is ten laatste op 30 april worden de rekeningen bezorgd aan het gemeentebestuur en aan de provinciegouverneur. De gemeente brengt dan binnen de vijftig dagen nadat de rekeningen zijn binnengekomen bij het bestuur zijn advies uit. Als er binnen die vijftig dagen geen advies werd uitgebracht, wordt het advies automatisch als gunstig beschouwd.

 

Vermoedelijke einddatum van de adviesperiode: 01.05 + 50 dagen = 20 juni.

 

Indien het CKB de gezamenlijke jaarrekeningen niet voor de gestelde datum kan indienen, dan begint de adviesperiode van de gemeente te lopen vanaf de dag na de dag van ontvangst door de gemeente van de jaarrekeningen en strekt de adviesperiode zich vanaf die dag voor 50 dagen uit.

 

Goedkeuring door Gouverneur

 

De gouverneur keurt de rekening goed binnen een termijn van tweehonderd dagen nadat hij de rekening heeft ontvangen en hij stelt daarbij de bedragen vast. Als er binnen die termijn van tweehonderd dagen geen besluit wordt verstuurd naar het centraal bestuur, wordt de rekening automatisch als goedgekeurd beschouwd. De gouverneur deelt zijn beslissing ook mee aan het gemeente- of provinciebestuur, het bestuur van de eredienst, de penningmeester en het erkend representatief orgaan.

 

Bewijsstukken

 

In tegenstelling tot in de huidige praktijk worden niet langer alle bewijsstukken bij de jaarrekening systematisch opgevraagd. Naar aanleiding van het onderzoek van de rekening door het gemeente- of provinciebestuur of door de gouverneur kan wel aanvullende informatie worden gevraagd en kunnen een of meer bewijsstukken worden opgevraagd. Het blijft in ieder geval verplicht om de bewijsstukken te bewaren, ook al hoeven ze niet langer op systematische wijze meegestuurd te worden.

 

Kwijting

 

Nadat de rekening is goedgekeurd, verleent de kerkraad aan de penningmeester kwijting tijdens de eerstvolgende vergadering. De procedure voor het niet-verlenen van kwijting wordt geregeld in artikel 55, §3, van het Decreet. Daar wordt ook bepaald hoe het bestuur tekorten moet terugvorderen van de penningmeester (zie GV boekhouding 22.02.2008, pt. 9.3).

Niet-goedkeuring en terugvordering van het tekort

Indien de jaarrekening niet wordt goedgekeurd en er bijgevolg geen kwijting wordt verleend aan de penningmeester, dan moet de kerkraad het vastgestelde tekort terugvorderen van de penningmeester.

Dit gebeurt in 2 fazen, namelijk een ingebrekestelling wordt aan de penningmeester toegestuurd en het tekort wordt mits betaling vóór een bepaalde datum effectief teruggevorderd. De provinciegouverneur wordt van de gevolgde procedure eveneens ingelicht.

De kerkraad stuurt een aangetekend schrijven aan de penningmeester op. Het tekort wordt uitdrukkelijk vermeld, evenals een zinsnede die de terugbetaling van de gelden binnen een bepaalde termijn (meestal 1 maand) vastlegt.

Indien de penningmeester de gelden binnen deze termijn terugbetaalt, dan verleent de kerkraad kwijting. Deze terugbetaling wordt aan de toezichthoudende overheid meegedeeld.

Het terugeisen van de gelden is het logische gevolg van het betalen van een vergoeding aan de penningmeester. Hoewel hij geen borg meer moet stellen voor de eventuele tekorten, blijft hij financieel verantwoordelijk voor zijn opdracht. De positieve waardering, namelijk de vergoeding, moet de penningmeester toelaten om de negatieve gevolgen van zijn beheer te kunnen financieren om de meestal kleine kastekorten aan te zuiveren.

Gevolgen

Door de kwijting kan de penningmeester niet meer in gebreke worden gesteld voor de wijze van het voeren van de boekhouding en voor de eventueel nadien vastgestelde tekorten. Indien de penningmeester echter de kerkraad (en de toezichthoudende overheid) zou misleid hebben, dan komt zijn verantwoordelijkheid opnieuw in het gedrang (zie Decreet, art. 55, § 3, 1ste lid).

Percent van de penningmeester

Tijdens de vergadering waarbij kwijting wordt verleend, kan de kerkraad ook beslissen om aan de penningmeester een vergoeding voor zijn geleverde prestaties toe te kennen.

Sinds het invoeren van het Decreet (01.01.2005) moet de kerkraad een besluit nemen. Noch bij het invoeren van het Decreet, noch in de wijzigingen wordt de vergoeding van de penningmeester voorzien. In dit besluit moet worden bepaald (toepassing Decreet, art. 55, § 3, 1ste lid), dat:

1.       De penningmeester aanspraak kan maken op een vergoeding als vergelding voor zijn prestaties en voor het risico op een eventueel tekort bij het beheer van de financiële middelen van de kerkfabriek;

2.       De grootheid van de vergoeding moet worden vastgesteld.

Traditioneel wordt de vergoeding bepaald op maximum 5 % van de gewone ontvangsten na aftrek van de gewone gemeentelijke toelage en van de orderverrichtingen RSZ en bedrijfsvoorheffing.

Er kan ook bepaald worden dat een maximumbedrag niet mag overschreden worden, bv. € 500,00. Dit maximumbedrag kan mits een nieuw besluit gewijzigd worden.

3.       De penningmeester slechts de vergoeding zal ontvangen onder aftrek van de som van de tekorten die in de financiële middelen van de kerkfabriek werden vastgesteld indien de som van de tekorten kleiner is dan de te betalen vergoeding, of mits terugbetaling van het saldo van de vastgestelde tekorten indien de som van de tekorten groter is dan te betalen vergoeding;

4.       De penningmeester slechts recht heeft op vergoeding op basis van zijn opgestelde en goedgekeurde jaar- of eindrekening;

Deze laatste bepaling moet het mogelijk maken dat de penningmeester (of zijn rechtverkrijgenden bij zijn overlijden) bij zijn ontslag op een ander tijdstip dan het einde van het werkjaar wordt vergoed.

5.       De vergoeding slechts zal uitbetaald worden na het verlopen werkjaar en na de aanvaarding van de jaar- of eindrekening door de toezichthoudende overheid.

Overgangsregeling

Het laatste lid omvat een overgangsregeling, namelijk de kwijting van de boekjaren vooraleer het Decreet in werking is getreden. De eerste kwijting volgens de bepalingen van het Decreet, houdt de kwijting van de vorige boekjaren in.

 

© PéDéWé 08.2012. Hoewel de teksten in de groene kaders hoofdzakelijk gebaseerd zijn op wetteksten, decretale verordeningen en omzendbrieven, is de interpretatie die er aan wordt gegeven een persoonlijk standpunt dat noch de Vlaamse Regering en haar administratie(s), noch de burgerlijke overheden en haar administratie(s), noch de kerkelijke overheid en haar instelling(en) verbindt.

 

Naar Art. 54

Home

Naar Art. 56